NKS voor JEUGD en WAARDEN
 
 
 
U bent hier: Nieuws & Actualiteiten - Columns
 

Ontvang de NKS Nieuwsbrief met de laatste informatie en de nieuwste thema's.

 Schrijf je nu in!
 Bekijk laatste nieuwsbrief!

Nieuws & Actualiteiten
     
  Het belang van de sportvereniging  
 

Onderstaande tekst is uitgesproken tijdens het Tweede Congres voor Sportbestuurders (2 april 2005) door NKS-voorzitter Marius Buiting.

Inleiding
Binnen de Nederlandse sportwereld wordt alom gediscussieerd over de vraag of de huidige sportvereniging als organisatievorm opgewassen is tegen de problemen van de huidige maatschappij. Als voorbeeld van deze problemen wordt onder andere genoemd het groeiende tekort aan vrijwilligers, leegloop onder leden als gevolg van een toenemende individualisering en weinig oog hebben voor integratie van doelgroepen zoals ouderen en allochtonen. De meeste beleidsmakers in de Nederlandse sportwereld hebben hun antwoord op bovenstaande problemen al klaar. De sportvereniging zou een stokoud, premodern instituut zijn, gebaseerd op achterhaalde 19e eeuwse Britse idealen als sportsmanship en fair play en zij zou een organisatievorm kennen die geen adequaat antwoord zou kunnen geven op genoemde problemen.

Om te kunnen overleven zouden de Nederlandse verenigingen zich in hoog tempo moeten aanpassen aan de eisen van vandaag en van morgen en principes uit het bedrijfsleven moeten hanteren. Immers deze principes zouden niet alleen model staan voor modern management, maar worden ook in de hedendaagse politiek als oriëntatiepunt gezien voor bestuurlijke vernieuwing. Succesverhalen uit het bedrijfsleven werden opgezocht en gedropt in de sportwereld. Zo deed de verenigingsmanager die veel werk uit handen zou kunnen nemen van de vrijwilligers zijn intrede in de vereniging en werd de sportverenigingen aangeraden principes van de markttheorie toe te passen, door bijvoorbeeld marktanalysesystemen te hanteren, product-marktcombinaties te maken en accountmanagers aan te stellen.

Onderstaand artikel is een pleidooi om te leren van het bedrijfsleven, maar van andere aspecten dan hierboven genoemd. In het bijzonder staan vragen centraal als: waarom sommige bedrijven slechts 20 jaar oud worden en andere bedrijven al langer bestaan dan 100 jaar en wat dan de parallellen zijn met onze Nederlandse sportverenigingen?

Levensduur commerciële bedrijven
Enkele jaren geleden verscheen een opzienbarend artikel in ’s werelds meest gerenommeerde managementtijdschrift de ‘Harvard Business Review (maart 1, 1997)’. De auteur is de Nederlander Arie de Geus, professor aan de Engelse London Business School en aan het Massachusetts Institute for Technology (MIT) Sloan School of Management in Boston, USA. In dit artikel met de titel ‘The living company’ doet hij verslag van een langdurig empirisch onderzoek naar lange termijn prestaties van commerciële bedrijven. Uit dit onderzoek blijkt dat van alle organisatievormen de commerciële bedrijven wat betreft levensduur het laagst scoren. En dit feit wordt nog eens versterkt door het huidige tijdsgewricht van snel veranderende omgevingen. Zo laat De Geus onder andere zien dat van de zogenaamde ‘Fortune top 500-bedrijven’ uit 1970 20 jaar later circa 50% gedecimeerd, overgenomen of failliet is. Tot slot blijkt dat de gemiddelde levensduur van commerciële bedrijven op het noordelijke halfrond onder de 20 jaar ligt of zoals De Geus stelt ‘ze bereiken niet eens de gemiddelde leeftijd van de Neanderthaler’. De Geus gebruikt deze metafoor om aan te geven dat dergelijke bedrijven ver blijven onder de potentiële maximale levensduur. Vergelijk het maar met een arm mens in een Derde Wereldland die slechts 30 jaar wordt terwijl hij onder andere condities misschien wel 80 had kunnen worden!

De vraag ‘Waarom is vele commerciële bedrijven een zo kort leven beschoren?’ is in dit kader van belang. Er is de laatste decennia overweldigend veel bewijs aangeleverd dat vele bedrijven falen, omdat hun beleid en dagelijkse bedrijfsvoering veel te zwaar op
economische principes zijn gebaseerd. Te weinig wordt gekeken naar andere, meer menselijke facetten binnen dezelfde bedrijven. In andere woorden: bij deze bedrijven ligt de focus op geld, productie en daarmee samenhangende regels en wordt voorbijgegaan aan het feit dat elk bedrijf een gemeenschap is van echte mensen. Zie hier in een notendop de oorzaak van een vroege dood van de zogeheten (tijdelijk) succesvolle, commerciële bedrijven.

Hedendaagse terminologie binnen de vereniging en haar oorspronkelijke betekenis
Ik ben een groot liefhebber van de oorspronkelijke betekenis van woorden, omdat veel problemen die we dagelijks ervaren verband houden met het vergeten van die oorspronkelijke betekenis. Zo hanteren we in de Nederlandse sportwereld veelvuldig begrippen, die in de huidige tijd volkomen gekleurd zijn door ons doorgeschoten economisch of financieel denken, maar in de oorspronkelijke zin van het woord op iets anders duiden. Ik laat een aantal voorbeelden de revue passeren. Het begrip ‘vereniging’ is afgeleid van het werkwoord verenigen, wat zoveel wil zeggen als tot één geheel verbinden, samenvoegen. Anders gesteld: verenigen betekent ‘samen ‘enigen’ in een beweging die nooit stopt’. Andere voorbeelden van termen uit de verenigingwereld die van hun oorspronkelijke betekenis zijn weggedreven zijn ‘contributie’, ‘vrijwilliger’, ‘professional’ en ‘subsidie’. ‘Contributie’ betekent in onze hedendaagse context een geldelijk bedrag dat je afdraagt aan de sportclub of haar bond. Een ‘vrijwilliger’ is die ijveraar die nog steeds zo goed (of gek) is te werken binnen de vereniging zonder betaling. De ‘professional’ echter is een betaalde kracht binnen dezelfde club. En ‘subsidie’ ten slotte is het geld dat je krijgt van een overheid.

Maar wat betekenen deze woorden in hun oorspronkelijke betekenis? ‘Contributie’ (afgeleid van het Latijnse contribueren: toevoegen, bijdragen) betekent dan ook dat een ieder zijn deel draagt naar het midden van de vereniging, zodat we er samen gebruik van kunnen maken. Een ‘vrijwilliger’ is in oorspronkelijke zin degene die iets uit vrije beweging, ongedwongen doet. Degene die iets doet omdat hij of zij het graag wil doen als ‘hogere’ levensvervulling in de Maslovse piramide in plaats van het ‘verplichte’ werken voor de kost. ‘Professional’ is afgeleid van het woord ‘professie’, dat in letterlijke zin betekent: ‘openbare belijdenis van het geloof’. Anders gesteld: de ‘geroepene’ die zijn hele wezen wijdt aan een bepaald doel (voorbeelden binnen de sport: Erica Terpstra, Johan Wakkie of Johan Cruyff). En tot slot: ‘subsidie’ (afgeleid van het Latijnse werkwoord ‘subsidiari’, dat wil zeggen tot reserve dienen) is niets meer maar ook niets minder dan ondersteuning, de schouder waarop we even mogen rusten als we dreigen om te vallen.

Ik ben ervan overtuigd dat als we de hierboven weergegeven woorden in hun oorspronkelijke betekenis en daarmee samenhangende waarden blijven koesteren de vereniging overleeft. Maar veel meer dan dat. Dat de vereniging een modelleerplaats is voor komende generaties van onze samenleving en dat we in die zin een zeer wezenlijke zelfs onmisbare bijdrage kunnen leveren aan de samenleving van de toekomst. Maar dan moeten we echt stoppen ons iets wijs te laten maken door een sector in de samenleving die zichzelf overschreeuwt en bedroevend presteert in duurzaamheid.

Wat maakt bedrijven van 100 jaar of ouder zo bijzonder?
Terug naar De Geus. In zijn hierboven geciteerde artikel betoont hij zich niet alleen maar negatief over het bedrijfsleven. Immers er zijn ook bedrijven die 100 jaar of ouder zijn. De Geus vraagt zich af wat deze bedrijven anders maakt dan hun Neanderthaler soortgenoten.
De 8 min of meer belangrijkste factoren zijn volgens De Geus dat deze ‘longlivers’:

  1. handelen vanuit het principe ‘zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen’: dat wil zeggen niet inzetten op grote investeringen die je in de toekomst niet kunt waarmaken, maar inzetten op een voorzichtig geleidelijk groeiscenario;
  2. een zeer groot omgevingsbewustzijn hebben en vanuit een constante dialoog met deze omgeving zich voortdurend aanpassen aan gewijzigde omstandigheden;
  3. zich zeer bewust zijn van een eigen identiteit en dat alle medewerkers zich verbonden voelen met deze identiteit. De leiders van het bedrijf komen voort uit het eigen bedrijf; zij investeren vooral in gewin op lange termijn en zijn niet uit op korte termijn succes of eigen gewin;
  4. grote tolerantie betrachten voor nieuwe ideeën en wensen die niet perfect in het plaatje passen;
  5. de kernbezigheid van het bedrijf meer middel is dan doel in zichzelf en de bereidheid om van bezigheid te veranderen maar nooit je medewerkers in de steek te laten; De Geus noemt in zijn artikel voorbeelden van bedrijven die volledig van core-business veranderen, maar nooit hun mensen in de steek laten;
  6. zo weinig mogelijk regels hanteren en controle toepassen zodat medewerkers zich vrij voelen om maximaal bij te dragen aan de toekomst van het bedrijf;
  7. het samenscholen van medewerkers bevorderen zodat het leren van elkaar versneld kan worden. De Geus gebruikt hierbij de metafoor van vogels die in zwermen (spreeuwen) leven versus vogels die solitair door het leven gaan (roodborstjes).Voor de Tweede Wereldoorlog dronken spreeuwen en roodborstjes melk uit ongesloten melkflessen, door melkboeren ter consumptie aangeboden door deze op de stoepjes van hun klanten neer te zetten. Na genoemde oorlog werden de flessen afgedekt met aluminium doppen. Spreeuwen ontdekten dat zij deze dopjes konden doorprikken en zo toch aan hun dagelijks hoeveelheid vocht konden komen. Blijkbaar communiceerden deze spreeuwen op een of andere wijze hun boodschap, immers binnen korte tijd wisten alle spreeuwen in Groot-Brittannië hun weg naar de melkfles weer te vinden. Roodborstjes, vogeltjes die solitair leven, niet. Integendeel: het is lang slecht gesteld met de omvang van de populatie van dit vogeltje op genoemd eiland;
  8. de balans zoeken tussen het individuele en het gemeenschappelijke belang; immers het individu zet zich in voor het totaal, en het totaal ondersteunt het individu en sluit niemand uit. Hier gebruikt De Geus de metafoor van de rivier versus de poel.

Wat is nu het belang van de sportvereniging voor onze maatschappij?
Zou het gaan om de sportvereniging als wapen tegen de groeiende bewegingsarmoede, adipositas, diabetes en hart- en vaatziekten? Ik vraag het me af. Zeker niet de economische hypocrisie waarin iedere burger gestimuleerd wordt zich dik te eten en op het moment dat dat tot hoge kosten leidt, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, de sport gratis en voor niets voor de kar van de afslankkuur wordt gespannen. Zou het gaan om de promotionele waarde van de sport en dat Cruijff het als wereldwijd internationaal ambassadeur het nog steeds zo aardig doet? Of topsporters in een rondreizend circus van promotie van merken of de Olympische Spelen als televisie- en commercieel spektakel? Zou het gaan om de sociale coherentie van de samenleving, omdat de sportvereniging in de buurt en samen met scholen een laatste bindmiddel kan zijn in een samenleving, die dreigt te verworden tot een ‘ik voor ik en God voor ons allen’ of van groeperingen tegenover elkaar? En vervolgens pleeg je kaalslag in de ondersteuning.

Nee, ik denk dat het grootste belang van de sportvereniging voor onze maatschappij schuilt in de grote ervaring die deze in zich heeft. Van een echt duurzame gemeenschap, zoals hier boven door De Geus vastgesteld, die wel veel kans maakt een lang leven beschoren te zijn. Maar die ook een gids kan zijn voor andere sectoren van onze maatschappij, zoals het bedrijfsleven, de school, de wijk, de zorg die allen snakken naar het concept van duurzame gemeenschappen. Omdat dit het enige antwoord is voor de toekomst van een maatschappij die ziek en ontregeld is, vanwege een eenzijdige focus op zaken die er niet echt toe doen en die ook nog eens gebaseerd zijn op valse veronderstellingen.

Ik sluit af met: lang leve de vereniging, lang leve onze kameraadschappij!

Auteur: Marius Buiting (SBM 5-2005)

 
     
 
Column afdrukken
 
     
 
 
  Lees de andere columns  
 
Scheidsrechterstekort door Frans Wiertz, bisschop van Roermond
De sport wint altijd! door Marius Buiting (SBM 6-2006)
Beperkingen van de georganiseerde sport door Marius Buiting (SBM 5-2006)
In de Franse tuinen van NOC*NSF door Marius Buiting (SBM 4-2006)
Bavariapak door Marius Buiting (SBM 3-2006)
Het plezier van steeds beter door Marius Buiting (SBM 2-2006)
Over Olympische hansworsten... door Marius Buiting (SBM 1-2006)
De ‘efficiency’ van de sportvereniging door Marius Buiting (SBM 6-2005)
De verhoudingen zijn zoek door Marius Buiting (SBM 4-2005)
Aan de kant gezet! door Marius Buiting (SBM 3-2005)
 
 
 
 
 
 
 
  Colofon  
 
 
© 2009 NKS     |     Industrieweg 26     |     5262 GJ Vught     |     073 - 6131376     |     info@nks.nl