“… maar ik vind dat je het begrip ‘efficiency’ bij sportverenigingen niet van toepassing zou moeten verklaren (…). Het hóórt gewoon dat een vergadering van een sportvereniging chaotischer verloopt dan die van de ministerraad, waar heel efficiënt binnen een uur de nodige knopen worden doorgehakt.” Aan het woord is de heer Bekker, portefeuillehouder sport van het ministerie van VWS, in een vorige editie van SBM.
Dat noem ik nou een originele kijk op de werkelijkheid, die niet helemaal met mijn ervaring en intuïtie strookt. Regelmatig wordt de Nederlandse burger geconfronteerd met alarmerende berichten over de gevolgen van die geoliede ministerraden: RSV affaire; de Betuwelijn; de carpoolstrook; de zoveelste wijziging in de financiering van de zorg en dat boeiende financieringstekort dat ons nu alweer zo’n 40 jaar slapeloze nachten bezorgt. En er zal ook nog wel het een ander zijn waarvan we niets weten. Nou ga ik niet katten op onze kabinetten; die meisjes en jongens hebben het al lastig genoeg. Maar wellicht is de soort chaotische efficiëntie van vrijwilligersorganisaties een inspiratiebron voor de kabinetten van de toekomst.
Het verhullende Engelse/Latijnse woord efficiency/efficiëntie wordt in onze veelzeggende moedertaal vertaald als doelmatigheid. Oftewel hoe bereik je jouw doel met zo weinig mogelijk middelen. Onze voorouders zeiden: zuinigheid met vlijt. In hedendaags jargon: zorg dat er zo weinig mogelijk aan de strijkstok blijft hangen.
Hoe komt het nu dat in vele kleinschalige vrijwilligersorganisaties zo’n hoog percentage van de middelen aan het doel van deze organisaties worden besteed? En als organisaties groter en professioneler worden er steeds meer middelen tussen de vingers wegglippen, zelfs als het gaat om “goede doelen organisaties” zoals het voormalige Foster Parents en onze overheden?
Ten eerste is er het vaak levenslange commitment aan het doel of aan de club waarbinnen dat doel wordt gerealiseerd. Anders dan de professional die vaak wisselt van organisatie naar organisatie of de politiek bestuurder die slechts enkele jaren verbonden is aan hetzelfde doel, worden deze clubman en -vrouw in het leven direct met de gevolgen van hun eigen beslissing geconfronteerd.
Vervolgens is er de zeer sterke waardeoriëntatie, de statutaire doelstelling. Wellicht moeilijk gezegd, maar om in simpele rugbytermen te spreken: direct als een sportbestuurder suggereert geld niet aan het eigenlijke doel van de vereniging te besteden, vallen zijn medebestuurders en clubgenoten over hem heen. Ik moet toegeven: dit oogt chaotischer dan die geciviliseerde kamerdebatten, waar zelfs revolutionairen zich een geaffecteerd taalgebruik, mantelpakjes en stropdassen hebben aangemeten. Maar ook de uitkomsten van beide processen lijken mij zeer voorspelbaar.
Ten slotte is er in onze samenleving een inflatie ontstaan van salarissen gerelateerd aan statussen en positie. Er wordt niet zozeer geld verdiend als wel geld verworven door hard te roepen dat anderen in soortgelijke functies nog meer krijgen dan jij. Elke schaalvergroting en bevordering in rang dient forser beloond te worden en als je dan geen deuk in een pakje boter trapt (roeierterm voor matige prestaties), ben je bereid plaats te maken voor de volgende in de “ratrace” tegen een fraaie oprotpremie. Hoe anders de vrijwilligersorganisatie waarbij de lijnentrekker, de barman, de coach en de voorzitter evenveel krijgen, namelijk niks, maar allen evenveel lof verdienen.
Soms verlang ik naar een wat chaotischere kabinetsvergadering met ministers die met hart en ziel en op de toekomst gericht de harde strijd met hun burgers willen aangaan opdat elk dubbeltje ook voor zijn bedoeling wordt uitgegeven: misschien een aardige nieuwe vrijwilligersfunctie, minister!